De hoofdrolspelers rond de WAO 08-03-2002
 

Wanneer de regering zich voor een moeilijk vraagstuk ziet gesteld, wordt het poldermodel in werking gesteld. Een hele serie deskundigen en betrokkenen moet het eens worden, voordat de politiek uiteindelijk een besluit neemt. Vrijwel zonder uitzondering komt dat neer op een compromis tusssen de verschillende opvattingen en belangen.

Wie zijn in zo'n geval de hoofdrolspelers?

Commissie Donner
Als eerste wordt een commissie van deskundigen benoemd, vroeger 'wijze mannen' geheten. Het gaat hierbij vaak om politici die wat verder van de dagelijkse politiek afstaan, en die op grond van vroegere verdiensten of specifieke deskundigheid het gezag hebben om voor hun achterban moeilijke besluiten voor te koken.

De commissie-Donner was hier een typisch voorbeeld van. Piet Hein Donner zelf is lid van de Raad van State, en afkomstig uit een prominent anti-revolutionair regentengeslacht. Daarnaast zaten in de commissie de vroegere VVD-voorzitter en huidige Gelderse commissaris van de Koningin Jan Kamming en ex-werkgeversvoorzitter en prominent D66-lid Alexander Rinnooy Kan en ex-PvdA-voorzitter, FNV-bestuurder en burgemeester van Zaanstad Ruud Vreeman.
Hoofdpunten commissie-Donner

SER
Als de wijzen klaar zijn, is de Sociaal-Economische Raad (SER) aan zet. De SER is sinds de oprichting in 1950 de hoeksteen van de Nederlandse overlegeconomie. Dit orgaan telt 33 zetels, waarvan 11 bezet worden door vertegenwoordigers van de werkgevers, 11 door vertegenwoordigers van de vakbeweging en 11 door door de regering benoemde onafhankelijke deskundigen, de Kroonleden.

De regering is verplicht de SER bij wetgeving op sociaal-economisch gebied om advies te vragen. Opvolging van het advies is niet verplicht, maar als de SER het eens wordt, kan de politiek daar moeilijk omheen.

Voordeel van deze wijze van besluitvorming is dat er een stevig maatschappelijk draagvlak ontstaat. Nadeel is de 'stroperigheid' die het met zich meebrengt. In het geval van de WAO kostte het bijvoorbeeld maanden voordat de sociale partners het eens werden. Bovendien, zo voeren critici aan, vertegenwoordigt de SER de gevestigde belangen, waardoor het minder geschikt is om ingrijpende hervormingen door te voeren.
De SER-voorstellen

CPB
Onvermijdelijk komt na de voltooiing van de adviezen in Nederland ook het Centraal Planbureau (CPB) in beeld. Het Centraal Planbureau moest bij zijn oprichting in 1945 van zijn geestelijke vader, PvdA-minister van Economische Zaken Vos, de kern worden van een socialistische planeconomie. Maar daartoe heeft dit staatsorgaan zich nooit ontwikkeld.

Het CPB is er voor de cijfermatige onderbouwing van het beleid. Vooral sinds de jaren tachtig zijn de diagnoses van het CPB vrijwel onomstreden. Bij verkiezingen laat zelfs GroenLinks zijn programma door het CPB 'doorberekenen'. Met behulp van het CPB worden politieke keuzen voor een deel teruggebracht tot technische beslissingen, en aldus gedepolitiseerd.

Het oordeel van het CPB

Politiek
Als de wijzen, de SER en het CPB hun werk gedaan hebben, is het woord aan 'de politiek'. Het kabinet neemt een besluit, waarna de Tweede en de Eerste Kamer er mee moeten instemmen. Hoe staan nu de diverse politieke partijen tegenover het WAO-probleem? Een belangrijke factor is dat de WAO'ers een belangrijk kiezerspotentieel vormen. Bijna één miljoen WAO'ers zijn even veel stemgerechtigden. Dat verklaart voor een groot deel de neiging van de politieke partijen 'de bestaande gevallen' te ontzien.

Bij de hervorming van de WAO in 1994 bleven 'de oude gevallen' buiten schot, niet alleen omdat de PvdA dat wilde, maar ook omdat de VVD al in een vroeg stadium duidelijk had gemaakt dat zij duur en hoogte van de bestaande uitkeringen wilde handhaven. CDA-leider Brinkman wilde de 'oude gevallen' wel aanpakken, maar ook veel CDA'ers waren hier niet gelukkig mee. Een CDA-partijraad riep Brinkman in december 1993 zelfs op zijn koers in het WAO-debat te wijzigen.

Aan de andere kant beseffen de partijen natuurlijk dat de WAO een belangrijk maatschappelijk probleem vormt. De kosten van de bijna één miljoen uitkeringen vormen een zware hypotheek voor de economie. Bovendien vormen de WAO'ers die nog zouden kunnen werken een ongebruikt arbeidspotentieel, dat de overspannen arbeidsmarkt zou kunnen ontlasten.

SP-logoVerder vormt het grote aantal uitkeringen een gevaar voor de uitkering van degenen die werkelijk volstrekt niet in staat zijn te werken. Om de kosten in de hand te houden, bestaat de neiging ook op hun uitkering te beknibbelen. En niet alleen de neiging, het is in de jaren tachtig en negentig ook werkelijk gebeurd.

De meeste moeite met het WAO-probleem heeft de PvdA. Toen de partij in de jaren 1982-1989 in de oppositie zat, ontwikkelde zij zich tot een partij van "zieken, zwakken en misselijken". Dat brak haar lelijk op toen ze in 1989 weer regeringsverantwoordelijkheid ging dragen. De partij verspeelde een groot deel van haar aanhang toen ze begin jaren negentig instemde met de ingrijpende versobering van de WAO, ook al bleef deze beperkt tot nieuwe gevallen.

De sterke opkomst van GroenLinks en de SP in de jaren negentig is voor een belangrijk deel te verklaren uit de indruk dat de PvdA onder Kok haar sociale gezicht heeft verloren. Nu de WAO opnieuw ter discussie staat, lijkt de PvdA er weer het meest bij te verliezen. In het begin van de 21e eeuw is de WAO nog steeds een achilleshiel voor de sociaal-democraten.



Inhoud dossier WAO


Nieuwsoverzicht

De huidige WAO-regeling

De hoofdrolspelers rond het WAO-vraagstuk

Hoofdpunten van het rapport-Donner

Hoofdpunten van
het SER-advies


Het oordeel van het CPB

Chronologie
Ontstaansgeschiedenis
Het bami-akkoord
Voortdurende onrust


Site tips