|
Wanneer
de regering zich voor een moeilijk vraagstuk ziet gesteld, wordt
het poldermodel in werking gesteld. Een hele serie deskundigen en
betrokkenen moet het eens worden, voordat de politiek uiteindelijk
een besluit neemt. Vrijwel zonder uitzondering komt dat neer op
een compromis tusssen de verschillende opvattingen en belangen.
Wie zijn in zo'n geval de hoofdrolspelers?
Commissie Donner
Als
eerste wordt een commissie van deskundigen benoemd, vroeger 'wijze
mannen' geheten. Het gaat hierbij vaak om politici die wat verder
van de dagelijkse politiek afstaan, en die op grond van vroegere
verdiensten of specifieke deskundigheid het gezag hebben om voor
hun achterban moeilijke besluiten voor te koken.
De commissie-Donner was hier een typisch voorbeeld van. Piet Hein
Donner zelf is lid van de Raad van State, en afkomstig uit een prominent
anti-revolutionair regentengeslacht. Daarnaast zaten in de commissie
de vroegere VVD-voorzitter en huidige Gelderse commissaris van de
Koningin Jan Kamming en ex-werkgeversvoorzitter en prominent D66-lid
Alexander Rinnooy Kan en ex-PvdA-voorzitter, FNV-bestuurder en burgemeester
van Zaanstad Ruud Vreeman.
Hoofdpunten
commissie-Donner
SER
Als de wijzen klaar zijn, is de Sociaal-Economische Raad (SER) aan
zet. De SER is sinds de oprichting in 1950 de hoeksteen van de Nederlandse
overlegeconomie. Dit orgaan telt 33 zetels, waarvan 11 bezet worden
door vertegenwoordigers van de werkgevers, 11 door vertegenwoordigers
van de vakbeweging en 11 door door de regering benoemde onafhankelijke
deskundigen, de Kroonleden.
De regering is verplicht de SER bij wetgeving op sociaal-economisch
gebied om advies te vragen. Opvolging van het advies is niet verplicht,
maar als de SER het eens wordt, kan de politiek daar moeilijk omheen.
Voordeel van deze wijze van besluitvorming is dat er een stevig
maatschappelijk draagvlak ontstaat. Nadeel is de 'stroperigheid'
die het met zich meebrengt. In het geval van de WAO kostte het bijvoorbeeld
maanden voordat de sociale partners het eens werden. Bovendien,
zo voeren critici aan, vertegenwoordigt de SER de gevestigde belangen,
waardoor het minder geschikt is om ingrijpende hervormingen door
te voeren.
De
SER-voorstellen
CPB
Onvermijdelijk
komt na de voltooiing van de adviezen in Nederland ook het Centraal
Planbureau (CPB) in beeld. Het Centraal Planbureau moest bij zijn
oprichting in 1945 van zijn geestelijke vader, PvdA-minister van
Economische Zaken Vos, de kern worden van een socialistische planeconomie.
Maar daartoe heeft dit staatsorgaan zich nooit ontwikkeld.
Het CPB is er voor de cijfermatige onderbouwing van het beleid.
Vooral sinds de jaren tachtig zijn de diagnoses van het CPB vrijwel
onomstreden. Bij verkiezingen laat zelfs GroenLinks zijn programma
door het CPB 'doorberekenen'. Met behulp van het CPB worden politieke
keuzen voor een deel teruggebracht tot technische beslissingen,
en aldus gedepolitiseerd.
Het oordeel van het CPB
Politiek
Als
de wijzen, de SER en het CPB hun werk gedaan hebben, is het woord
aan 'de politiek'. Het kabinet neemt een besluit, waarna de Tweede
en de Eerste Kamer er mee moeten instemmen. Hoe staan nu de diverse
politieke partijen tegenover het WAO-probleem? Een belangrijke factor
is dat de WAO'ers een belangrijk kiezerspotentieel vormen. Bijna
één miljoen WAO'ers zijn even veel stemgerechtigden.
Dat verklaart voor een groot deel de neiging van de politieke partijen
'de bestaande gevallen' te ontzien.
Bij
de hervorming van de WAO in 1994 bleven 'de oude gevallen' buiten
schot, niet alleen omdat de PvdA dat wilde, maar ook omdat de VVD
al in een vroeg stadium duidelijk had gemaakt dat zij duur en hoogte
van de bestaande uitkeringen wilde handhaven. CDA-leider Brinkman
wilde de 'oude gevallen' wel aanpakken, maar ook veel CDA'ers waren
hier niet gelukkig mee. Een CDA-partijraad riep Brinkman in december
1993 zelfs op zijn koers in het WAO-debat te wijzigen.
Aan
de andere kant beseffen de partijen natuurlijk dat de WAO een belangrijk
maatschappelijk probleem vormt. De kosten van de bijna één
miljoen uitkeringen vormen een zware hypotheek voor de economie.
Bovendien vormen de WAO'ers die nog zouden kunnen werken een ongebruikt
arbeidspotentieel, dat de overspannen arbeidsmarkt zou kunnen ontlasten.
Verder
vormt het grote aantal uitkeringen een gevaar voor de uitkering
van degenen die werkelijk volstrekt niet in staat zijn te werken.
Om de kosten in de hand te houden, bestaat de neiging ook op hun
uitkering te beknibbelen. En niet alleen de neiging, het is in de
jaren tachtig en negentig ook werkelijk gebeurd.
De
meeste moeite met het WAO-probleem heeft de PvdA. Toen de partij
in de jaren 1982-1989 in de oppositie zat, ontwikkelde zij zich
tot een partij van "zieken, zwakken en misselijken". Dat
brak haar lelijk op toen ze in 1989 weer regeringsverantwoordelijkheid
ging dragen. De partij verspeelde een groot deel van haar aanhang
toen ze begin jaren negentig instemde met de ingrijpende versobering
van de WAO, ook al bleef deze beperkt tot nieuwe gevallen.
De
sterke opkomst van GroenLinks en de SP in de jaren negentig is voor
een belangrijk deel te verklaren uit de indruk dat de PvdA onder
Kok haar sociale gezicht heeft verloren. Nu de WAO opnieuw ter discussie
staat, lijkt de PvdA er weer het meest bij te verliezen. In het
begin van de 21e eeuw is de WAO nog steeds een achilleshiel voor
de sociaal-democraten.
|