|
Het oordeel van het Centraal Planbureau
|
|
Het
Centraal Planbureau (CPB) reageerde op 14 februari 2002 uiterst sceptisch
op het voorlopige SER-akkoord. Volgens het CPB zouden de uitkeringskosten
in het gunstigste geval gelijk blijven. In het ongunstigste geval
zou de WAO 1,4 miljard euro duurder worden.
Het pessimisme van de SER was gebaseerd op de verhoging van de uitkering
en de afschaffing van de zogenaamde PEMBA-boetes, waarmee werkgevers
worden gestraft als een werknemer in de WAO belandt. De rekenaars
verwachtten dat werkgevers en verzekeraars zouden proberen zoveel
mogelijk werknemers volledig afgekeurd te krijgen, zodat het bedrijfsleven
niet voor de kosten hoefde op te draaien.
Woedend
Dit oordeel kwam het CPB op woedende reacties van de SER te staan.
Volgens SER-voorzitter Wijffels gaf het CPB niet alleen een cijfermatig
oordeel, maar ook politiek commentaar. "Dat is suggestief en ontoelaatbaar".
Wijffels benadrukte dat de SER nog werkte aan strengere keuringsmethoden.
VVD-Staatssecretaris Hoogervorst was meer onder de indruk van de cijfers.
Hij stelde direct dat het kabinet niet op het definitieve SER-akkoord
zou wachten en op eigen kracht een wetsvoorstel zou maken. Hij werd
echter teruggefloten door premier Kok.
Begin maart lekte uit dat de SER een aantal ziektes en aandoeningen
voor de WAO wilde uitsluiten. Het ging onder meer om ME, burnout en
whiplash. Om de keuringsartsen uit de vuurline te houden, zou een
onafhankelijke commissie uiteindelijk over toekenning van een uitkering
moeten beslissen.
Vervolgens
werd onder druk van de vakbeweging het onderhandelaarsakkoord nog
gewijzigd. Bepaald werd dat zieke werknemers in het tweede jaar toch
meer dan 70 procent van hun loon zouden kunnen krijgen als zij een
paar dagen aan het werk gingen. Nadat de werkgeversorganisatie VNO-NCW
hiermee had ingestemd, gaf de Federatieraad van de FNV zijn fiat aan
het akkoord. MKB-Nederland, de organisatie van het midden- en kleinbedrijf,
dreigde nu echter zijn instemming met het akkoord te onthouden.
|
|
|