|
Voortdurende onrust rond de WAO
|
|
Met het bami-akkoord kwam de regeling
tot stand die nog steeds van kracht is. Toch kwam er in 1993 geen
rust rond de WAO. Driekwart jaar na het Bami-akkoord stelde Brinkman
in een spreekbeurt in Groningen toch weer de bestaande WAO-uitkeringen
ter discussie. Lubbers heeft achteraf aan de onderzoeksjournalist
Marcel Metze verteld dat hij hierdoor zijn vertrouwen in zijn kroonprins
definitief verloor. Brinkmans' optreden was volgens Lubbers buitengewoon
dom, omdat hiermee de kans op een compleet nieuw uitkeringsstelsel
vergooid werd.
Een parlementaire enquetecommissie onder leiding van de PvdA'er Buurmeijer
had juist zijn onderzoek afgerond, en was tot het unanieme advies
gekomen dat de WAO beperkt moest worden tot mensen die voor meer dan
tweederde arbeidsongeschikt zijn. Lubbers hoopte dat ook de PvdA-fractie
met deze basisgedachte akkoord zou gaan, en na een SER-advies rijp
zou voor concrete maatregelen. Maar na Brinkmans redevoering kroop
de PvdA terug in haar egelstelling en wilde voorlopig niet meer over
een nieuw stelsel discussieren.
Buitenspel
De Kamer ging nog wel akkoord met een ander onderdeel van 'Buurmeijer'.
De commissie velde een vernietigend oordeel over de sociale partners,
die de WAO volgens haar hadden gebruikt als riante afvloeiingsregeling.
Een machtig middel hiertoe waren de door hen bestuurde bedrijfsverenigingen,
die verantwoordelijk waren voor de uitvoering van de sociale zekerheid.
Daarom stelde de commissie voor de bedrijfsverenigingen te vervangen
door nieuwe, onafhankelijke uitvoeringsorganen.
De uitvoering werd in handen gegeven van het Landelijk Instituut Sociale
Verzekeringen (LISV), waarvan Buurmeijer voorzitter werd en gecontroleerd
door het College van Toezicht Sociale Verzekeringen (CTSV). De sociale
partners stonden daardoor vanaf 1995 bij de uitvoering van de sociale
zekerheid buitenspel.
In augustus 1993 waren, min of meer onzichtbaar in de WAO-discussie,
ook de strengere keuringen ingevoerd die het kabinet in 1991 had voorgesteld.
Voortaan werd bij het vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid
alleen nog gekeken of iemand in staat was te werken. Met opleiding
of vroeger beroep werd geen rekening meer gehouden. Het gevolg was
dat het aantal WAO'ers voor het eerst begon te dalen, van het hoogtepunt
van 925.000 in 1993 tot 850.000 in 1996.
Kabinet-Kok
Het eerste kabinet-Kok (1994-1998) nam een aantal maatregelen die
het beroep op de WAO verder moesten terugdringen. Met name de werkgevers
werden steeds meer geconfronteerd met de kosten van ziekte en arbeidsongeschiktheid.
In de eerste plaats werd de Ziektewet geprivatiseerd. Werkgevers werden
verplicht het loon van een zieke werknemer 52 weken door te betalen.
Tot dan toe betaalde de werkgever bij ziekte slechts de eerste twee
tot zes weken door, waarna de uitvoeringsinstelling de betaling overnam.
In de tweede plaats werden werkgevers van wie personeel in de WAO
belandde, via de nieuwe Pemba-wet geconfronteerd met hogere premies.
De strafheffingen liepen geleidelijk op. Het was de bedoeling dat
grote werkgevers met een hoog WAO-risico uiteindelijk drie keer zo
veel premie zouden betalen als werkgevers van wie niemand in de WAO
belandde. In 2001 betaalden werkgevers met veel WAO'ers al bijna twee
keer zoveel premie.
Grens
Toch begon het aantal WAO-uitkeringen na 1997 weer langzaam op te
lopen en in 2000 werd de grens van 900.000 WAO'ers weer gepasseerd.
Daardoor ging de WAO ook weer aanleiding geven tot politiek gekrakeel.
De VVD stelde tot woede van zijn coalitiepartners voor psychisch arbeidsongeschikten
harder aan te pakken en staatssecretaris Hoogervorst scherpte de keuringseisen
verder aan.
Om duidelijkheid te scheppen werd in mei 2000 een commissie ingesteld
die het WAO-probleem in kaart moest brengen en voorstellen moest doen.
De commissie kwam onder leiding van de CDA'er Donner. En daarmee zijn
we beland in de actuele discussie. |
|
|