|
Na
de oorlog kunnen de Amerikanen en Britten geen massavernietigingswapens
vinden in Irak. Daardoor keert het vraagstuk van de legitimatie,
dat voor de oorlog leidde tot een ongekende crisis in het Westerse
bondgenootschap, weer terug op de internationale agenda. Met dit
verschil dat de tegenstanders van de oorlog zich nu niet luidkeels
roeren. Dat is ook niet nodig, want een reeks van publicaties in
de media maken het de Britse premier Blair en de Amerikaanse president
Bush vanzelf al lastig genoeg.
Zo
brengt de BBC op basis van een anonieme bron het bericht dat de
Britse regering een rapport over de acute dreiging van Saddam heeft
overdreven. Het rapport stelt dat de Iraakse leider in staat is
om binnen 45 minuten een verboden wapen in te zetten.
Maar de bron meldt dat die informatie afkomstig is uit onbetrouwbare
inlichtingen. Blairs perschef Campbell heeft volgens de bron, die
afkomstig zou zijn van een hoge regeringsfunctionaris, deze informatie
toch opgenomen om de oorlog te kunnen verkopen aan het Britse parlement.
Uiteindelijk wordt duidelijk dat de microbioloog David Kelly de
bron is van het bericht dat intussen tot een knallende ruzie heeft
geleid tussen de BBC en Downing Street. Enkele dagen nadat hij door
een parlementaire commissie was verhoord, pleegt Kelly zelfmoord.
Daarop stelt Blair een onafhankelijke commissie in die de hele affaire
diepgaand moet onderzoeken. De positie van Blair wordt door de affaire
nog wankeler.
'Nigergate'
President Bush gaat het evenmin voor de wind na de oorlog. Begin
juli brengt de New York Times een artikel van de voormalige Amerikaanse
ambassadeur Wilson. Hij schrijft dat hij in 2002 in Niger is geweest
om te onderzoeken of Irak had geprobeerd om uranium te kopen in
Niger. Zijn conclusie luidt dat dat hoogstwaarschijnlijk niet het
geval is geweest.
Door het artikel komt president Bush direct onder vuur te liggen.
In zijn aan de oorlog voorafgaande State of the Union, de
jaarlijkse 'troonrede' voor het Amerikaanse Congres, noemde hij
juist de uraniumclaim als belangrijkste motivatie om het regime
van Saddam te verdrijven.
Daarom
springen politieke zwaargewichten direct in de bres om Bush buiten
schot te houden. Minister Powell verklaart voor CNN dat het belachelijk
is te suggereren dat Bush de natie heeft voorgelogen. De nationale
veiligheidsadviseur Rice zegt dat de Amerikaanse inlichtingendienst
CIA de rede had goedgekeurd. Kort daarop trekt CIA-directeur Tenet
publiekelijk het boetekleed aan. Hij meldt dat de informatie over
Niger afkomstig is van Britse inlichtingendiensten.
De afleidingsmanouevres hebben niet het gewenste effect, want de
hoofdvraag, wie op het Witte Huis heeft informatie doorgelaten,
blijft onbeantwoord. Weer een week later verklaart een topmedewerker
van Bush dat hij zich verantwoordelijk voelt.
Herverkiezing
Of de kous daarmee af is, moet worden afgewacht. De donkere wolken
boven het Witte Huis zijn zeker nog niet overgewaaid. Mocht blijken
dat Bush voor niets Amerikaanse jongens en meisjes de dood in heeft
gejaagd, dan lijkt zijn herverkiezing uitgesloten. Waarnemers vergelijken
de kwestie, die al snel 'Nigergate' wordt gedoopt, met de Watergate-affaire.
Die leidde begin jaren zeventig tot het aftreden van president Nixon.
De
mogelijk onterechte legitimatie van de oorlog kan ook gevolgen hebben
voor de Bush-doctrine. Die luidt dat de Verenigde Staten zich het
recht voorbehouden een preventieve aanval (pre-emptive strike)
uit te voeren als ze zich bedreigd voelen. Bush presenteert deze
nieuwe veiligheidsstrategie tijdens zijn State of the Union
begin 2002, vier maanden na de terreuraanslagen op het WTC en het
Pentagon.
Als blijkt dat Saddam in de aanloop naar de oorlog geen massavernietigingswapens
(meer) had, dan is ook moeilijk vol te houden dat hij een directe
bedreiging vormde voor de VS en de internationale veiligheid. De
aanval op Irak, en daarmee elke toekomstige aanval op leden van
de As van het Kwaad, ontbeert dan elke legitieme grond.
Vraagtekens
De vondst van massavernietigingswapens in Irak zou de hele discussie
over het geknoei met inlichtingenmateriaal voorgoed uit de wereld
helpen. President Bush en premier Blair zijn er beiden heilig van
overtuigd dat dat zal gebeuren. En dat zeggen ze niet alleen omdat
hun politieke prestige en carrière ervan afhangt.
Ook Frankrijk, Duitsland en Rusland, de belangrijkste tegenstanders
van de aanval op Irak, hebben nooit ontkend dat Irak in de jaren
negentig nog gevaarlijk wapentuig had. Ook is duidelijk dat Saddam
er niet voor terugschrok om die te gebruiken als hij dat nodig vond.
De Koerden in Noord-Irak en Iran kunnen daarvan getuigen.
Daarnaast
hebben de VN-wapeninspecteurs na de eerste Golfoorlog tijdens hun
zoektocht voldoende wapens gevonden. Toen Saddam hen in 1998 definitief
het land uitschopte, waren ze nog lang niet klaar met hun werk.
Dat de inspecteurs, die eind 2002 onder leiding van Hans Blix voor
het eerst in vier jaar het land weer bezoeken, de verboden wapens
niet vonden, wil ook niet zeggen dat ze er niet waren. Het gebrek
aan medewerking van de Irakezen doet in elk geval vermoeden dat
ze iets te verbergen hadden.
Bovendien kan Saddam, ondanks een dik pak documenten dat hij overhandigt
aan de VN, niet aantonen dat hij de bewezen voorraden chemische
en biologische wapens heeft ontmanteld. Verder is bekend dat juist
dit soort wapens moeilijk zijn op te sporen. Het gaat vaak om kleine
hoeveelheden die gemakkelijk verborgen kunnen worden.
Geschiedenis
Toch beginnen Bush en Blair nattigheid te voelen, al was het
maar omdat de zoektocht naar massavernietigingswapens in Irak tot
dusver vruchteloos is gebleken, ondanks de aanwezigheid van tienduizenden
Britse en Amerikaanse militairen. Washington en Londen leggen daarom
steeds vaker de nadruk op andere redenen voor de aanval op Irak.
Blair formuleerde dat half juli in zijn historische toespraak tot
het Amerikaanse Congres als volgt: "Als we ongelijk hebben,
dan hebben we in ieder geval een bedreiging uitgeschakeld die op
zijn minst verantwoordelijk is voor onmenselijk bloedvergieten en
lijden. Ik vertrouw erop dat de geschiedenis ons dat zal vergeven.
Maar als onze critici ongelijk hebben - en dat geloof ik vanuit
de grond van mijn hart - en we handelen niet, dan (...) zal de geschiedenis
ons dat niet vergeven."
|