De Tour van 1903 (4)
Bij het Café Sion op de Boulevard de Strasbourg
in Toulouse was het drie uur 's nachts een grote
drukte. Het was de vroege zaterdag 11 juli 1903.
De startcontrole voor de vierde Touretappe naar
Bordeaux was geopend. Er was iets bijzonders te
zien: op een groot wit doek werden beelden getoond
van de aankomst in Toulouse: renners, te midden
van een enthousiaste menigte. Ik had die film
dolgraag willen zien, maar hij is al lang verdwenen.
Wel zijn er nog de foto's van toen.
Er is nog meer weg: dat Café Sion bestaat niet
meer. De Avenue de Minimes, aan de westkant van
de stad waar de etappe echt van start ging is
er nog wel, maar niet de staminee van kilometer
nul: het Café St. Roch. Het is een lelijke buitenwijk.
De Avenue loopt langs het oude Canal du Midi,
omzoomd door bomen, met binnenvaartschepen, aangelegd
aan smoezelige kades.
Die morgen, honderd jaar geleden klonk luid gejuich
op voor de held van de streek: Dargassies. Hij
kwam uit Grisolles, vlak bij Montauban. Hij had
wat tussen die plaatsen heen en weer gefietst,
een afstand van dik veertig kilometer en dat had
hem wel training genoeg geleken om zich in Parijs
bij Géo Lefèvre te melden voor deelname aan de
Tour. De journalist-organisator had verbaasd opgekeken.
Er meldden zich wel meer van dit soort avonturiers.
Lefèvre maakte Dargassies bekend als De Smid van
Grisolles.
Fedor den Hertog, Iwan de Verschrikkelijke begint
honderd jaar later solo aan deze etappe. Het was
de kortste van toen, maar hij was nog lang genoeg:
268 kilometer. Fedor vertrok om zes uur 's morgens,
net als de liefhebberscategorie van 1903. Ik ging
door met de auto, speurend naar oude plekken en
posten.
Tegenover het station van Montauban is de situatie
nog zoals in 1903, al zijn de panden duidelijk
honderd jaar ouder geworden. Er staat een verlopen
Hotel Terminus, opgetrokken uit rood baksteen.
Tegenover staat een klassiek Hotel du Lion d'Or,
twee sterren, twee verdiepingen met gietijzeren
balkons en een leistenen dak. Hotel Restaurant
La Cuisine d' Alain daarnaast completeert het
oude decor. Dargassies moet hier onder luid gejuich
zijn langs gekomen.
Zo'n twintig kilometer verderop ligt nog zo'n
klassieke plaats: Moissac. Hier kom ik weer een
oude controlepost tegen: het Hotel de Luxembourg.
Het dateert van 1883. De eigenaar geeft me een
ansichtkaart uit 1900. Er is niets veranderd aan
het gebouw, alleen de klassieke letters over de
hele gevel zijn verdwenen, net als de bomen ervoor.
Het is deze middag inmiddels zwaar gaan regenen.
Ik vraag me af waar Fedor is en hóe het met hem
is. Hij belt uit een telefooncel langs de weg,
met verkleumde stem: hij moet nog twintig kilometer.
Plaats van aankomst is een oude pleisterplaats
op de stadsrand van Bordeaux: Restaurant Le Petit
Trianon. Ik parkeer de auto even langs de weg
om te vragen waar het is. Ik blijk er pal voor
te staan. Ik had het niet direct herkend, omdat
de luiken dicht waren.
Dan komt Fedor aan. Volkomen doorweekt. 'Was dat
afzien,' is het eerste wat hij zegt. Dan vraagt
hij naar zijn tas, voor droge kleren. Zijn tas?
Dat is even schrikken. Die had ik moeten meenemen,
maar dat was ik dus vergeten en het verse baliepersoneel
had me er ook niet attent op gemaakt. Er zit niets
anders op dan terug te rijden naar Toulouse. Eerst
gaan we naar het dichtstbijzijnde hotel, voor
een warme douche. Er liggen gelukkig nog een paar
passende kledingstukken achterin.
Iwan de Verschrikkelijke heeft het gedaan in negen
uur en vijf minuten. Een kwartier langzamer dan
de kopgroep van toen. Het was een fantastische
ervaring, zegt hij. Hij had kunnen stoppen in
die regen, maar dan ben je ook zo'n watje.
Op en neer naar Toulouse vergt dik drie uur, maar
dat deert ons niet. We zijn gewend aan de kilometers
van 1903. In Bordeaux eten we deze avond in Brasserie
des Artistes, die ogenschijnlijk weinig is veranderd