De Tour van 1903 (1)
Op deze dag heb ik gewacht. We naderen voor het
eerst de barre realiteit van de oer-Tour van 1903,
na de start van afgelopen zondag bij die eerste
pleisterplaats: Le Réveil Matin in Montgeron.
Parijs-Lyon, lengte 467 kilometer. Zo hadden Géo
Levèvre en Henri Desgrange het bedacht op de burelen
van L'Auto, Rue Faubourg-Montmartre nummer 10
in Parijs.
Nevers, de startplaats van heden lag diep in de
nacht van de eerste en de tweede juli 1903 zo
ongeveer halverwege die oeretappe. Henri Desgrange
sliep, in Parijs, en vrijwel zeker heel onrustig.
Als hoofdredacteur van L'Auto was hij weliswaar
het avontuur aangegaan, maar hij was in het geheel
niet gerust op de goede afloop en liet de uitvoering
en de verslaggeving over aan de jonge verslaggever
die hem de Tour had gesuggereerd: Géo Lefèvre.
Desgrange was nog een behoedzame baas; Lefèvre
een blakende avonturier.
Het móet gezegd worden: die Tour van toen was
een miraculeus zooitje in vergelijking met de
georganiseerde machine van honderd jaar later
en dat maakt die eerste ronde van Frankrijk er
alleen maar mooier door, om niet te zeggen fantástisch,
in een andere lading dan de afgesleten betekenis
die dat woord nu heeft.
Er waren geen ploegen, geen ploegleiderswagens,
geen ploegleiders, geen soigneurs, geen fietsensleutelaars.
De coureurs moesten het reglementair allemaal
alleen doen. Dat moesten ze volbrengen op zware
fietsen zonder versnellingen, op wegen zonder
asfalt, maar van zand en leem. Die route ligt
er nóg, inmiddels geasfalteerd, de oude Route
Nationale van Parijs naar Lyon. Ik heb hem zélf
gereden, in de terugtocht die ik al begin mei
ondernam met een renner om erover mee te oordelen:
oud-hardfietser en filosoof Fedor den Hertog.
Er waren zestig renners, duizenden regionale en
dorpse vrijwilligers om ze te ontvangen en tientallen
burgemeesters die het heel bedenkelijk vonden.
De Tour de France moest zich echt een weg door
Frankrijk heen vechten, als een half illegale
onderneming. Ook dat maakte het een onderdeel
van de beginnende mythe.
Het publiek wilde het wel zien, mede rijp gemaakt
door de lokale kranten. Het was nog nooit vertoond.
Er zouden mannen langs komen die nog nooit zoiets
hadden gewaagd: door heel Frankrijk rijden, op
een fíets. Paarden konden het niet, locomotieven
moesten worden ververst, die renners fietsten
door, over honderden kilometers.
Nevers ligt heel mooi aan de Loire. Het uitzicht
heeft de negentiende-eeuwse Nederlandse schilder
Jongkind in vervoering gebracht. Ik heb er vlak
bij de rivier voor een vervallen Hostellerie gestaan
waar de jonge generaal Napoleon Bonaparte heeft
overnacht in 1799. Vandaag is het moderne peloton
er vertrokken bij het statige Parc Roger Salengro.
De etappe gaat niet over het restant van de Tour
van toen. Dat is jammer. Daarom missen ze bijvoorbeeld
een historische oude controlepost van 1903: het
klassieke, vierkante Hotel de Paris in Moulins,
vlak bij het grote plein Cours Anatole France.
In deze stad van hertogen en koningen biedt het
hotelrestaurant een exquise menu met Le Roi Cochon
du Bourbonnais cuisiné de haut en bas (en gratin,
poêlé, laqué). Maurice Garin heeft er een haastige
krabbel gezet op een controleformulier.
Garin kwam in de vroege morgen van 2 juli 1903
binnen op een keienweg tussen de platanen aan
de kade van Vaise, een voorstad van Lyon, gelegen
aan de Saone. Aan de muur van een modern gebouw
is een gedenkplaat gehangen over die historische
aankomst. Ook hier ligt nu asfalt. Een moderne
aankomst van de Tour is er volslagen onmogelijk:
te smal, te veel bomen, geen ruimte voor het mediapark.
Vandaag gaat de finale wel langs de start van
de tweede rit van 1903: het majestueuze Place
Bellecour. Dáár wordt de geschiedenis het dichtst
geraakt.