 |
|
|
|
|
De knecht, het onmisbare hulpje
van de kopman
|
|
 |
 |
Met
zijn markante, kaalgeschoren hoofd en de oren
volgeschoten met ringetjes drong hij in zijn gloriejaren
tijdens de Tour de France bijna dagelijks de huiskamers
binnen. Gert Jakobs (39) stelde zijn wielerleven
in dienst van kopmannen als Jean-Paul van Poppel
en Erik Breukink en kan daar nu nog smakelijk
over vertellen. Een expert in ruste legt de fijne
kneepjes van het vak uit.
Bijna nergens heerst zo'n strakke hiërarchie
als in het wielerpeloton. Het feodalisme doet
er nog altijd opgeld. De kopman is de regent,
de knechten knappen het vuile werk op, halen bidons
of houden de kopman uit de wind. Alles in dienst
van de baas, die verdeelt en heerst. Het is altijd
zo geweest en het zal ook altijd wel zo blijven.
Jakobs voelde zich in zijn rol als meesterknecht
als een vis in het water. De Drent, die bijna
tien jaar als prof met zijn krachten smeet, wilde
niet eens opgezadeld worden met onnodige druk.
"Als Jan Raas tegen mij zei: Gert jongen,
jij moet het vandaag doen, dan reed ik gelijk
twintig procent minder", legt Jakobs uit.
"Maar als hij vertelde dat ik Van Poppel
naar de meet moest brengen, dan voelde ik me een
stuk sterker."
'Wegcijferen'
"Een goede knecht", doceert de Drent,
"moet zichzelf voor honderd procent kunnen
wegcijferen voor de kopman. Hij moet als het ware
harder fietsen voor een ander dan voor zichzelf.
Niet iedereen kan of wil dat. Het moet in je karakter
zitten."
Die
taak was Jakobs op het lijf geschreven. Hij schiep
er genoegen in zich als dienaar voor een hoger
doel op te offeren. "Ik vond het eervol werk,
haalde er voldoening uit. Als de kopman dankzij
ons werk won, dan won ik ook." Volgens Jakobs
is er niets mis met zo'n denkwijze. "Niet
iedereen kan tenslotte directeur zijn van een
groot bedrijf. In het normale leven heb je ook
raspaardjes en werkpaarden", meent hij. "Zonder
werkpaarden kunnen raspaarden niet functioneren.
Als de ploeg van Armstrong in de tweede etappe
vijf knechten kwijtraakt, dan wint hij de Tour
niet. Ook al ben je nog zo goed. Dat houd je niet
vol."
Jakobs haalde in zijn wielerleven duizenden bidons
op en fietste duizenden kilometers met de wind
vol in het gezicht ten behoeve van de kopman.
Werk dat volgens hem niet onderschat moet worden.
"Bidons halen is niet zo moeilijk als er
dertig kilometer per uur wordt gereden. Dan kan
de kopman het zelf ook wel doen. Maar een goede
knecht doet het als er vijftig wordt gereden.
Vervolgens moet hij 180 man voorbij met zes flessen
in de nek om het bij de kopman af te leveren.
Als het heet is en het hard gaat, dan is dat echt
zwaar werk. Zeker als je de laatste vijf kilometer
tempo moet maken voor de sprinter. Dan is de snelheid
zo'n 55 kilometer per uur en gaat het steeds harder
naarmate de finish dichterbij komt."
Half werk
Tegenwoordig, zo stelt Jakobs, cijfert de knecht
zich steeds minder weg voor de kopman. "Ze
denken te individueel", gelooft de Drent.
"Dat komt natuurlijk ook door de UCI-punten
die er te verdienen zijn." Die verhogen immers
de marktwaarde. Er wordt in zijn ogen daardoor
steeds vaker half werk afgeleverd. "De sprint
aantrekken en vervolgens zelf achtste worden,
dat bestaat gewoon niet. Als de knecht een sprint
goed aantrekt, dan sprint hij zelf echt niet voor
een plaats bij de eerste tien. Als je het goed
wil doen, moet je je te barsten rijden. Finish
je bij de eerste tien, dan heb je werk niet goed
gedaan."
Roberto
Heras is volgens Jakobs een goed voorbeeld van
de meesterknecht. De Spanjaard rijdt in het hooggebergte
volledig in dienst van zijn kopman, Lance Armstrong.
"Op de laatste twee cols moet hij tempo rijden
en moet Armstrong het in de slotklim zelf afmaken.
Heras fietst echter net zo lang door tot hij helemaal
leeg is. Dat is een luxe hoor, voor Amstrong.
Want Heras rijdt bergop beter dan hij. In plaats
van een concurrent heb je er een hulpje bij."
Jakobs genoot altijd oprecht van zijn knechtenrol.
"Met de bek in de wind voor Van Poppel fietsen,
prachtig vond ik dat. Of Breukink uit de wind
houden..." De twee hadden, legt Jakobs uit,
nogal een verschillende stijl van koersen. "Van
Poppel was een sprinter. Die zat vaak achteraan.
Ik moest hem dan naar voren brengen. Zei ik: ik
ga nu naar voren, meerijden verdomme. Maar hij
reed ook regelmatig zelf naar voren. Midden door
het peloton, want Jean-Paul kon goed duwen en
trekken..."
Breukink was daar minder bedreven in, verzekert
Jakobs. "Hij was bang voor valpartijen. Daarom
reed hij vaak midden in het peloton aan de zijkant.
En dan diende ik hem uit de wind te houden, want
een klassementsrenner zoals hij moest in de vlakke
etappes natuurlijk zo voordelig mogelijk fietsen."
Strikte
rolverdeling
Jakobs denkt dat een strikte rolverdeling binnen
een ploeg de eeste kans op succes garandeert.
"De echt grote ploegen hebben goede knechten",
vertelt hij. "Kijk naar US Postal en Domina
Vacanze. De ploegen met de beste knechten winnen
ook de meeste ritten. Bij Raas was Van Poppel
de troef. Daar viel geen speld tussen te krijgen.
Ook Jelle Nijdam moest in dienst van hem rijden.
Hij won weliswaar vaak, maar alleen als Van Poppel
er in de finale niet bij zat of niet goed was."
De waardering voor zijn werk was er van de kopman
bijna altijd. "Van Poppel was mijn maatje.
Als hij gevraagd werd voor een criterium in het
buitenland nam hij me altijd mee. Daar verdienden
we drie keer zoveel als in Nederland. Sean Kelly
(ploegmaat bij PDM, red.) waardeerde het altijd
zeer als je een bidon bracht. Hij verdiende een
miljoen per jaar, maar haalde ook bidons voor
ons." Minder te spreken is hij over Pascal
Lino, zijn kopman bij Festina. "Dat vond
ik een waardeloos figuur. Echt een pannenkoek.
Hij was niet netjes en gaf nooit een blijk van
waardering. Fransen zijn sowieso heel chauvinistisch.
Nee, dat was geen succes."
<<
Terug
|
|
|

|
|
|
|
|
|
 |