17 februari 2002
Iedere ochtend, zo rond zeven uur gaat mijn alarm af.
Niet het irritante gepiep van mijn reiswekkertje. En ook
niet de charmante stem van de receptioniste. Iedere ochtend
open ik mijn ogen met het diepe geronk van drie enorme
leger-helicopters, op weg naar hun werk. Waar dat ook
moge zijn.
Het is de dagelijkse realiteit van ruim twee weken
Olympische Spelen. Amerika is nog steeds in oorlog,
en Salt Lake City is een van de vestingen die koste
wat kost bewaakt moet worden. We zijn op de helft, en
een voorzichtige conclusie is dat het allemaal reuze
meevalt.
Het schrikbeeld van onophoudelijk militair machtsvertoon,
lamleggende controles bij elke stap die je zet en het
totale gebrek aan flexibiliteit onder politie ('sir,
it's the law, move on, now'): van dat schrikbeeld is
niks terecht gekomen. Wat we na één week
Olympische wintersport hebben meegemaakt, is een verregaande
controle op alles en iedereen en door alles en iedereen.
Maar nooit was het zo dat iemand niks mocht.
Natuurlijk, er waren incidenten en er waren klachten.
Gegrond. De Russische sporter bijvoorbeeld, die gedwongen
werd om een slok te nemen uit zijn waterfles, om er
zeker van te zijn dat er water in zat en geen gif. Of
de atlete die om dezelfde reden een hap uit haar lunch
moest nemen. Of de IOC-leden die met hun camera een
foto moesten maken, want het mocht eens een wapen zijn.
Een week na het ontsteken van de vlam heeft iedereen
leren leven met de metaal-detectoren, de metaal-detectoren
en de metaal-detectoren. Want elke keer als het alarm
afgaat, is er ook de glimlach van de agent die z'n excuses
aanbiedt voor het ongemak. En zelfs na de 83ste keer
is die glimlach van een Olympische geruststelling. Geen
grimmigheid, maar een klimaat dat bijna ontwapenend
is.
In de tussentijd neemt de bewaking geen enkel risico.
Want je weet dat op daken en in stadions scherp-schutters
zitten. Je weet dat er meer camera's zijn gericht op
de anonieme toeschouwer dan op de wereldberoemde sporter.
En je weet ook dat hoog in de bergen een radar-station
24 uur per dag de wijde omgeving in de gaten houdt.
Het luchtruim zit potdicht.
Men ziet alles van verre aankomen. Een eenmotorig vliegtuigje,
geen probleem.
Net als hanggliders of zelfs voorbijstuivende ganzen.
Allemaal te zien. En te stoppen. Zestien keer tot nu
toe werd er in de lucht alarm geslagen. Zestien keer
stegen onmiddellijk F16-gevechtsvliegtuigen op. Zestien
keer was het loos alarm. En dus voelen we ons veilig.
Toch? Of niet?
Ik kan het niet helpen, maar halverwege het toernooi
denk ik aan de elf Israëlische sporters die in
1972 in Munchen werden vermoord. En denk ik aan Alice
Hawthorne, de vrouw die in '96 bij een bom in Atlanta
om het leven kwam. En prijs ik me gelukkig dat de drie
helicopters me 's morgens vroeg niet alleen wakker maken,
maar me 's avonds laat bij hun terugkeer ook in slaap
sussen.
|