 |
 |
Top
5 grootste 'schlemielen' van het Nederlandse schaatsen |
| |
Gerard
van Velde heeft door zijn zege op de 1.000 meter definitief
afgerekend met zijn imago van een 'loser'. Tot zijn gouden
race had de Heerdenaar bij grote toernooien een abonnementje
op vierde plaatsen. Die schlemielige 'net niet'-plek viel
in Salt Lake City ook Andrea Nuyt en Marianne Timmer ten
deel. Zij moeten maar troost putten uit het gegeven dat
een hele reeks nog grotere pechvogels hen voor gingen.
Een top 5 van de grootste 'losers' van het Nederlandse
schaatsen.
1. Jos Valentijn
We schrijven het jaar 1976. Jos Valentijn stond op
het punt om als eerste Nederlander ooit wereldkampioen
sprint te worden. Na drie afstanden was zijn voorsprong
op de concurrentie zo groot dat hij bij de laatste 1.000
meter bij wijze van speken na het startschot zijn veters
nog kon strikken. Maar Valentijn was niet zeker van zijn
zaak en aasde op een 'pikstart'. In glad gewonnen positie
produceerde hij drie valse starts op rij (twee mocht toen
nog). Diskwalificatie volgde. Weg titel en eeuwige schaatsroem.
Wat rest is een weinig eervolle vermelding als Neerlands
grootste schlemiel op schaatsen aller tijden.
2. Hilbert van der Duim
Deze Drentse all-rounder beleefde in 1981 zijn rampjaar.
Op het EK in Deventer deed zich het beruchte 'vogelpoep-incident'
voor. Van der Duim kwam op de 1.500 meter om ogenschijnlijk
onverklaarbare reden ten val. Van der Duim weet zijn uitglijder
aan een klodder vogelpoep op de baan; een verklaring die
destijds al met de nodige scepsis ontvangen werd.
Later
dat jaar presteerde titelverdediger Van der Duim het op
het WK in Oslo om op de 5.000 meter een rondje te vroeg
de rug te rechten. Hij dacht dat zijn race er al op zat.
Pas toen coach Egbert van 't Oever zijn uitrijdende pupil
een halve baan verder op zijn blunder wees (commentator
Leen Pfrommer: "Hilbert jongen, je moet doorgaan")
zette Van der Duim weer aan. Te laat. De onttroonde kampioen
was na deze blooper zo van slag, dat hij de volgende dag
op de 1.500 meter ook nog eens viel.
3. Jan Bols
Jan Bols had in zijn actieve loopbaan de pech dat hij
een generatiegenoot was van Ard Schenk en Kees Verkerk.
In 1971 leek hij het stigma van de 'eeuwige nummer drie'
van zich af te schudden. Hij was al Nederlands kampioen
geworden en op het EK in het nog onoverdekte Thialf had
hij zich na de 500 meter in een kansrijke positie geschaatst.
Op de 5 kilometer tegen de latere kampioen, de Noor Dag
Fornaess, liep het ook al gesmeerd. Om zoveel mogelijk
uit de wind te blijven reed hij dicht tegen de tribunes
aan. Hij ging echter zo hard en was zo in trance dat hij
een wissel vergat en een extra buitenbocht reed.
Ondanks
het feit dat hij zichzelf benadeeld had, finishte Bols
zo scherp dat hij de nummer één van het
klassement zou zijn geworden. Het mocht niet zo zijn.
De Noren drongen bij hoofdscheidsrechter Hennie Roos aan
op diskwalificatie, hetgeen geschiedde. Het hoogtepunt
uit zijn carrière werd Bols door de neus geboord.
Jan Bos trad dit jaar in Bols' voetsporen door op het
WK sprint tijdens zijn 1.000 meter twee binnenbochten
achter elkaar te rijden.
4. Ex aequo: Rintje Ritsma en Leo Visser
Toegegeven, het is een luxeprobleem, maar Rintje Ritsma
en Leo Visser gaan de geschiedenis in als Nederlands grootste
kampioenen die nooit een olympische titel in de wacht
sleepten. Voor Ritsma is dat extra schrijnend, omdat hij
met vijf podiumplaatsen wel de meeste olympische plakken
op zak heeft: 2x zilver en 3x brons.
Leo
Visser is blijven steken op één keer zilver
en drie keer brons. Ritsma en Visser personificeren de
tragiek van de allround-kampioen die op het belangrijkste
toernooi altijd wel een afstandsspecialist voor moet laten
gaan. Ard Schenk had daar geen last van. Hij grossierde
in allround-titels en veroverde daarnaast op Winterspelen
ook nog eens drie gouden en één zilveren
plak. Daarmee is Schenk de succesvolste olympische schaatser
van ons land.
5. Jan-Roelof Kruithof
Onbedreigd de grootste pechvogel onder de marathonschaatsers.
Schier onverslaanbaar was hij twintig jaar lang op tochten
van 100 kilometer en meer. De hele zomer trainde hij in
de koelcel van een slachthuis om te allen tijden voorbereid
te zijn op het moment dat een echte Elfstedentocht zich
aandiende. De Alternatieve Elfstedentocht had hij al negen
keer gewonnen toen het in 1985 in de herfst van zijn carrière
eindelijk zover was.
Die echte 'Tocht der Tochten' kwam voor Kruithof echter
te laat. Het beste was eraf. Hij startte nog als favoriet,
maar kwam tijdens het klûnen lelijk ten val en miste
de slag. Met lede ogen moest hij toezien hoe de onbekende
Evert van Benthem met zijn droom aan de haal ging. In
1997 haalde de inmiddels 60-jarige Kruithof alsnog zijn
gram. Ver achter Henk Angenent kwam hij op de Bonkevaart
als eerste over de finish..., bij de toerrijders wel te
verstaan.
|
|
 |
|
ga terug |
|

|