| |
Geen sport zo conservatief als de schaatssport. Bij
de oprichting van de ISU, de wereldschaatsbond, in 1892
werd besloten kampioenschappen te verrijden op een 400
meterbaan, en wel over de 500, 1500, 5000 en 10.000
meter. Een enkele aanpassing daargelaten, is dat nu
nog zo. Van nieuwlichterij was de sterk aan traditie
hechtende schaatser niet gediend. Nieuw wetenschappelijk
inzicht en de voortschrijdende techniek hebben echter
ook op de schaatsbaan ware revoluties ontketend.
Kunstijsbanen,
aerodynamische pakken en de klapschaats hebben ertoe
bijgedragen dat Jaap Eden nu tegen Giannni Rome letterlijk
en figuurlijk een modderfiguur zou slaan. De in wollen
kleding gehulde Eden zou door het futuristisch uitgedoste
'marsmannetje' uit Made moeiteloos op een paar ronden
gereden worden. Daarmee is niet gezegd dat Eden minder
getalenteerd was. Met dezelfde inspanning glijden de
moderne topschaatsers alleen sneller over het ijs. Alle
innovaties in het schaatsen hebben gemeenschappelijk
dat zij tot een verminderde lucht- en ijsweerstand leiden.
Klapschaats
Vreemd genoeg is aan het belangrijkste instrument van
de hardrijder, de schaats, tot de introductie van de
klapschaats midden jaren '90 nauwelijks gesleuteld.
Al
snel nadat eind 19de eeuw het wedstrijdschaatsen op
400 meter-banen werd ingevoerd, deden de noren hun intrede.
Deze schaatsen met vaste schoen en lange, ongebogen
ijzers vervingen de houten glijders. Hoewel vorm en
kleur van de schoen en de legering van de ijzers met
hun tijd meegingen, zijn de schaatsen in essentie een
eeuw lang onveranderd gebleven.
De belangrijkste revolutie in de schaatssport vindt
zijn oorsprong in de laboratoria van de Vrije Universiteit
van Amsterdam. Daar ontwikkelden wetenschappers van
de werkgroep inspanningsfysiologie onder leiding van
Gerrit-Jan van Ingen-Schenau in 1986 de klapschaats.
Het idee erachter is eigenlijk heel simpel. Door een
schaats te maken waarbij de schoen alleen aan de punt
vastzit, komt het ijzer bij de afzet los van de hiel
en wordt het 'glijmoment' verlengd.
Conservatisme
en watervrees (de klapschaats vereist een andere techniek)
weerhielden de toppers ervan de nieuwe schaats direct
onder te binden. Pas toen acht jaar later een Zuid-Hollandse
juniorenploeg 'de stoute schoenen aantrok' en op de
klapschaats collectief de persoonlijke records omlaag
schroefde, zagen ook de toppers het licht. De Nederlandse
vrouwen, die al jaren gebukt gingen onder het juk van
Gunda Niemannn, bleken plots wel in staat de Duitse
kwelgeest te verslaan. Het nieuws sloeg in als een bom.
Binnen een maand was (bijna) iedereen om. Een nieuw
tijdperk was aangebroken. In één seizoen
werden alle records aan flarden gereden.
Computerschaats
De klapschaats had maar één nadeel, dat
vooral de sprinters parten speelde. De start was door
de losse ijzers lastiger geworden. Op de traditionele
schaats kon na het startschot snel vaart gemaakt worden
door een aantal passen te 'lopen'. Op de klapschaats
gaat dat niet en moet direct tot de glijfase worden
overgegaan. De tussentijden op de eerste honderd meter
zijn als gevolg hiervan de afgelopen jaren dan ook niet
omlaag gegaan.
De Nederlandse schaatsfabrikant Viking kwam dit jaar
met de oplossing. In Almere werd de zogeheten computerschaats
ontwikkeld, die een instelbaar aantal slagen na de start
vast blijft zitten om pas 'open' te klappen als de sprinter
op snelheid is. In Salt Lake City wordt nog niet gereden
op deze elektronische klapschaats. De ISU heeft de schaats
in de ban gedaan omdat de reglementen het gebruik van
elektronische hulpmiddelen verbieden. Overigens hadden
de schaatsers al besloten op de Spelen op de 'gewone'
klapschaatsen te rijden omdat zij nog te weinig met
de computerschaats hebben kunnen trainen.
In de schaduw van de klapschaats en de computerschaats
is de afgelopen tijd in het schaatspeloton ook nog,
met wisselend succes, geëxperimenteerd met de carbonschaats
en de uit de skiwereld overgenomen carveschaats, die
het rijden van bochten aanzienlijk zou vergemakkelijken.
Kleding
Tot ver in de jaren vijftig verschenen de wedstrijdschaatsers,
net als de recreanten, in wollen kleding aan de start.
De overgang naar tricot en later nylon leverde op de
lange afstanden al gauw een tijdswinst van 15 tot 20
seconden. De eerste helden van het tv-tijdperk Kees
Verkerk en Ard Schenk zagen er in die kunststoffen pakken
al redelijk strak en gestroomlijnd uit. Het meest in
het oog springende verschil in uiterlijk tussen 'Ard
en Keessie' en de huidige sterren zit in het hoofddeksel.
Zij tooiden zich nog met een kleine schaatsmuts, waar
ook de Nederlandse jeugd in navolging van hun idolen
in die jaren 's winters mee rondliep.
De muts sneuvelde door toedoen van de veteraan Franz
Krienbühl. Op het WK in 1974 in Inzell snoepte
de 45-jarige Zwitser op de 10 kilometer zomaar een halve
minuut af van zijn persoonlijk record. Die onverwachte
progressie schreef Krienbühl toe aan het revolutionaire
skinpak waarmee hij in Duitsland op het ijs stapte.
De traditionalisten spraken schande van dit 'ruimtevaartpak'
uit één stuk. De behoudzucht won het aanvankelijk
van de vernieuwingsdrang en het duurde nog twee jaar
voor Krienbühls vinding gemeengoed werd.
De vier S-en
De aanleiding daarvoor was het EK van 1976. De vier
Noorse S-en, Stenshjemmet, Stensen, Storholt en Sjöbrend
hulden zich in Krienbühls skinpakken en eisten
prompt de eerste vier plaatsten in de eindrangschikking
op. Het was een maand voor het begin van de Winterspelen
in Innnsbruck en de paniek sloeg de Nederlanders om
het hart, temeer daar de Noorse fabrikant van de pakken
weigerde aan buitenlanders te leveren. Op het laatste
moment werd een order geplaatst bij de Zweedse firma
Skin, zodat 'onze jongens en meisjes' de Noorse concurrentie
met gelijke wapens te lijf konden gaan. Piet Kleine
won goud en voordat het jaar voorbij was waren alle
wereldrecords in handen van skinpak-rijders.
In de aanloop naar de Winterspelen van vier jaar geleden
in Nagano kwamen de Nederlanders met een nieuwtje op
de proppen. De schaatspakken werden voorzien van zogeheten
'strips'; ribbelstroken die op benen en hoofd werden
geplaatst en die per ronde een halve seconde winst 'genereerden'.
De verminderde luchtweerstand van de Nederlandse schaatsers
betaalde zich uit in puur eremetaal: met vijf keer goud,
vier keer zilver en twee keer brons werden de Spelen
van Nagano voor Nederland de succesvolste in de geschiedenis.
Pakkenoorlog
Net
als in 1976 woedt op het 'schaatspakkenfront' ook in
de aanloop naar Salt Lake City een koude oorlog tussen
Nederland en 'het buitenland'. Nederlandse schaatsers
gaan in het door Nike ontwikkelde Swift Skin-pak op
jacht naar goud. Nike borduurde met Swift Skin voort
op Swift Suit, het atletiekpak waarmee Cathy Freeman
in Sydney zegevierde. Na de Olympische Zomerspelen richtten
de in de aerodynamica gespecialiseerde ontwerpers hun
vizier op de schaatssport.
De Noorse schaatsers hullen zich in Salt Lake City in
het door de Technische Universiteit Delft ontworpen
Delta-pak, een doorontwikkeling op de strips van Nagano.
De strips zijn vervangen door delta's: ruwe driekhoekjes
die niet alleen op onderbenen en hoofdkap zijn bevestigd,
maar op meer lichaamsdelen. Vooral schaatsers met dikke,
rijkelijk van delta's voorziene, bovenbenen zouden in
het voordeel zijn. Zo worden de Winterspelen ook een
krachtmeting tussen Nike en de Technische Universiteit
Delft.
Kunstijsbaan
Bij de Winterspelen van 1960 in Squaw Valley werden
de schaatsnummers voor het eerst verreden op een kunstijsbaan.
De schaatsnatie Nederland kon niet achterblijven en
in 1961 openden de kunstijsbanen in Amsterdam en Deventer
hun deuren. Niet alleen kon er nu ook geschaatst worden
bij hogere temperaturen, ook de bijkomstigheid dat de
kwaliteit van het ijs kunstmatig verbeterd kon worden,
resulteerde in een recordregen en een constanter niveau
tijdens de toernooien.
Wat echter bleef was de ongelijkheid in de klimatologische
omstandigheden waaronder de rijders hun rondjes draaiden.
Hoe vaak gebeurde het niet dat de trotse koploper na
drie afstanden het goud toch nog verspeelde omdat juist
tijdens zijn 10 kilometer een sneeuwstorm losbarstte
of de wind plots de kop opstak. De overdekte ijsbaan,
waarvan Thialf in 1984 de primeur had, was het antwoord.
De protesten (schaatsen is geen indoorsport) verstomden
snel. De schaatsliefhebber raakte al snel verslingerd
aan de prachtige eerlijke toernooien met steeds snellere
rondetijden.
Thialf werd als snelste baan ter wereld al ras voorbijgestreefd
door het Vikingschip in Hamar en de hooglandbaan in
Calgary. The Olympic Oval in Salt Lake City kan de concurrentie
met Calgary makkelijk aan. Als de voortekenen niet bedriegen,
moeten de recordboeken binnenkort weer drastisch worden
herschreven.
|