|
Het
Kiesstelsel
Sinds 1919 (het jaar van het vrouwenkiesrecht) hebben
alle Nederlanders het recht om hun vertegenwoordigers
in de Tweede Kamer, Provinciale Staten en gemeenteraden
te kiezen. Normaal gesproken gebeurt dat één
maal in de vier jaar. De Tweede Kamer, met 150 leden,
en de Eerste Kamer, met 75 leden, vormen samen de Staten-Generaal
oftewel het parlement.
Klik op onderstaande links voor meer informatie over
het kiesstelsel.
Kiesrecht
Het
kiesrecht is als grondrecht in de Grondwet opgenomen.
De details over verkiezingen staan in de Kieswet en
het Kiesbesluit. Het kiesrecht valt uiteen in actief
en passief kiesrecht (beide vanaf 18 jaar). Het actief
kiesrecht is het recht te stemmen bij verkiezingen.
Het passief kiesrecht is het recht, na verkiezing, lid
te kunnen worden van een vertegenwoordigend lichaam.
Iedere burger van de Europese Unie heeft actief en passief
kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen en bij de verkiezingen
voor het Europees Parlement in de lidstaat waar hij
verblijft. Allochtone kiezers, die geen Nederlander
zijn maar tenminste vijf jaar legaal in Nederland verblijven,
mogen stemmen bij de gemeenteraads-verkiezingen maar
niet bij de landelijke verkiezingen. Daarvoor is het
Nederlanderschap vereist.
De
Kieswet
Politieke partij
Wie in Nederland een politieke partij wil stichten,
moet eerst een vereniging oprichten. Er moet een gekozen
bestuur zijn en statuten en de partij moet zijn ingeschreven
in het verenigingenregister. Een politieke partij die
aan de verkiezingen wil deelnemen, moet zich laten inschrijven
bij de Kiesraad. Voor de registratie betalen partijen
een waarborgsom: duizend gulden voor Tweede-Kamerverkiezingen,
vijfhonderd gulden voor provinciale-statenverkiezingen
en 250 gulden voor gemeenteraads-verkiezingen. Een partij
die een kandidatenlijst inlevert om aan de verkiezingen
te kunnen meedoen, moet nog een waarborgsom betalen:
25.000 gulden voor Tweede-Kamerverkiezingen, 2.500 gulden
voor provinciale-statenverkiezingen en 500 gulden voor
gemeenteraadsverkiezingen. Dit geld krijgt een partij
terug als ze een zetel weet te behalen.
De Tweede Kamer
In
de Tweede Kamer zitten 150 mensen, die samen met de
regering wetten maken en die de regering controleren.
Zij worden normaal gesproken eens in de vier jaar gekozen,
door alle Nederlanders van 18 jaar en ouder. Als tijdens
die vier jaar het kabinet valt, wordt de Tweede Kamer
ontbonden en vinden er tussentijdse verkiezingen plaats.
Om lid te zijn van de Tweede Kamer moet je Nederlander
zijn, de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt en niet
zijn uitgesloten van het kiesrecht. Het recht van amendement
zorgt ervoor dat de Tweede Kamer de tekst van een wetsvoorstel
kan wijzigen. Op deze manier bepaalt uiteindelijk de
rechtstreeks gekozen Tweede Kamer wat de wetstekst zal
zijn. Het zwaartepunt in het politiek bestuur van Nederland
ligt bij de Tweede Kamer. De Eerste Kamer let vooral
op de kwaliteit van de wetgeving en op de uitvoerbaarheid
daarvan.
Site
van de Tweede Kamer
De Eerste Kamer
De 75 leden van de Eerste Kamer worden gekozen door
de leden van de twaalf Provinciale Staten. De vorm is
die van getrapte verkiezingen: de burgers kiezen Provinciale
Staten en de leden van Provinciale Staten kiezen op
hun beurt de leden van de Eerste Kamer. Doordat de Eerste-Kamerleden
niet rechtstreeks door de burgers worden gekozen, staan
ze wat verder van de dagelijkse politiek af. Zij voeren
bijvoorbeeld geen verkiezingscampagne. De vereisten
voor het lidmaatschap zijn hetzelfde als voor de Tweede
Kamer. Dat betekent dat iemand Nederlander moet zijn,
tenminste 18 jaar en niet mag zijn uitgesloten van het
kiesrecht. Sinds de Grondwetsherziening in 1983 wordt
de Eerste Kamer eens in de vier jaar gekozen. Dit gebeurt
binnen drie maanden na de verkiezingen voor Provinciale
Staten. De laatste verkiezingen waren in 1999.
Als
een wetsvoorstel - met eventuele wijzigingen door de
Tweede Kamer is aangenomen, gaat het naar de Eerste
Kamer. Nadat het ook in die Kamer is behandeld, wordt
er gestemd. De Eerste Kamer mag echter niets meer veranderen
in het voorstel en kan het alleen aannemen of verwerpen.
Gaat ook de Eerste Kamer akkoord met het voorstel, dan
kan de regering de nieuwe wet bekendmaken en in werking
laten treden. Alle wetten en Koninklijke besluiten worden
naast de Koningin ook ondertekend door de politiek verantwoordelijke
minister. Door die mede-ondertekening wordt de regel
onderstreept dat de Koning(in) onschendbaar is en de
ministers verantwoordelijk zijn. Deze kernregel van
onze democratie werd in 1848 ingevoerd. Een wet kan
overigens door meerdere ministers worden ondertekend
en ook staatssecretarissen kunnen (mede-)ondertekenen.
Site
van de Eerste Kamer
Provinciale Staten
Het aantal Provinciale Statenleden is afhankelijk van
het aantal inwoners van de provincie. Er zijn twaalf
provincies. De dichtstbevolkte provincie: Zuid-Holland,
heeft 83 Statenleden. De provincie met het geringste
aantal inwoners: Flevoland, heeft er 4. De provincies
vormen de bestuurslaag tussen het rijk en de gemeenten.
Ze doen het werk waarvoor het rijk 'te groot' en de
gemeente 'te klein' is. Of in een bepaalde regio een
ziekenhuis gehandhaafd kan worden of met andere zorginstellingen
moet fuseren, of er alternatieve vormen van openbaar
vervoer ontwikkeld moeten worden, maatregelen op het
gebied van de jeugdhulpverlening, de aanleg van fietspaden
en tal van andere activiteiten van de provincie zijn
direct of indirect van invloed op het dagelijks leven.
Maar slechts zelden is de provincie de enige instantie
die zich met deze zaken bemoeit. De provincie is vaak
een 'gebiedsgerichte regisseur' en werkt nauw samen
met andere overheden (rijk, gemeenten, waterschappen),
het bedrijfsleven, organisaties en instellingen.
Het college van Gedeputeerde Staten (GS) vormt het dagelijks
bestuur van de provincie. De gedeputeerden worden gekozen
door en uit Provinciale Staten voor een periode van
vier jaar. Zij
treden tegelijk af met de leden van Provinciale Staten.
Eenmaal gekozen tot gedeputeerde blijven ze lid van
Provinciale Staten en houden ze hun stemrecht in de
Statenvergadering. Voorzitter van het college van Gedeputeerde
Staten is de Commissaris van de Koningin. Een Commissaris
van de Koningin wordt niet gekozen door de inwoners
van de provincie, maar benoemd door de Kroon (Koningin
en ministers). De benoeming geldt voor een periode van
zes jaar, met de mogelijkheid tot herbenoeming. Alle
Commissarissen zijn afkomstig uit één
van de grote landelijke politieke partijen. Eenmaal
benoemd wordt de Commissaris echter geacht zijn functie
onafhankelijk uit te voeren. De Commissaris van de Koningin
maakt deel uit van het provinciaal bestuur én
heeft tevens een taak als vertegenwoordiger van de landsregering
in de provincie. Zo heeft de Commissaris coördinerende
bevoegdheden bij de rampenbestrijding en brengt hij
regelmatig werkbezoeken aan gemeenten.
Gemeenteraad
De gemeente is, na de rijksoverheid en de provincie,
de kleinste zelfstandige bestuurseenheid in het Nederlandse
staatsbestel. Per 1 januari 2001 zijn het er 504. In
al die Nederlandse gemeenten wordt een aantal landelijke
regels, bij voorbeeld ten aanzien van uitkeringen, op
een zelfde manier toegepast. En de vorm van het paspoort
moet er in alle gemeenten hetzelfde uitzien. Toch zijn
er wel degelijk grote verschillen tussen de ene en de
andere gemeente. Een grote stad, waar veel mensen dicht
op elkaar wonen, kent andere problemen en voert een
ander beleid dan een dunbevolkte plattelandsgemeente
die uit een aantal kleine kernen bestaat. Ambtenaren,
gemeenteraadsleden, wethouders en burgemeester zijn
er samen verantwoordelijk voor dat de zaken in de gemeente
goed lopen. De omvang van de gemeenteraden varieert
tussen 9 en 45 leden. Elke gemeente is bij de verkiezingen
verdeeld in één of meer stemdistricten.
Voor elk stemdistrict is er een stembureau, dat bestaat
uit drie leden. Per verkiezing functioneren ongeveer
10.000 stembureaus. In elk stemdistrict wijzen burgemeester
en wethouders een stemlokaal aan.
Europees Parlement
Sinds 1979 wordt ook het Europees Parlement rechtstreeks
gekozen voor een periode van vijf jaar door de kiesgerechtigde
burgers van de lidstaten van de Europese Unie.
Bij de laatste Europese verkiezingen waren in totaal
641 zetels te verdelen zijn, waarvan 31 voor Nederland.
Evenredige vertegenwoordiging
Het
Nederlandse kiesstelsel kent het systeem van evenredige
vertegenwoordiging, waarbij de verdeling van de zetels
een directe afspiegeling is van de stemverhoudingen.
Dit betekent dus dat een partij die 10 procent van de
stemmen haalt, ook 10 procent van het aantal zetels
krijgt. Voor de verdeling van de zetels vormt het hele
land, provincie of gemeente een kiesgebied. De kiesdrempel
zorgt ervoor dat partijen die weinig stemmen halen,
geen zetel krijgen. Zo wordt een drempel opgeworpen,
waarmee wordt voorkomen dat er heel kleine partijen
in het parlement komen. Bij de Tweede-Kamerverkiezingen
moet een partij tenminste 0,67 procent van de stemmen
halen om mee te kunnen doen met de zetelverdeling. De
kiesdrempel van 0,67 procent voor de Tweede Kamer is
een van de laagste ter wereld, waardoor ook politieke
minderheden hun stem in het parlement kunnen laten horen.
Dit is belangrijk omdat de opvattingen van het parlement
zo het beste aansluiten bij die onder de bevolking.
Districtenstelsel
Anders is dit in een districtenstelsel waar meerdere
kiesgebieden bestaan, zoals in Duitsland, Groot-Brittannië
en de Verenigde Staten. Per district wordt meestal gestemd
over één zetel en de kandidaat met de
meeste stemmen wint de zetel. De zetelverdeling hoeft
daar dus geen afspiegeling van de stemverhoudingen in
alle districten te zijn. De discussie rond een districtenstelsel
werd eind vorig jaar nieuw leven ingeblazen door de
PvdA. De sociaal-democraten willen een kiesstelsel invoeren
naar Duits model. Daar worden de leden van de Bondsdag
rechtstreeks via de districten gekozen. De kiezer brengt
twee stemmen uit: een op een kandidaat uit zijn district,
een op de nationale kandidatenlijst van zijn favoriete
partij. Daardoor zou de kiezer zich meer herkennen in
het politieke bedrijf. In 1996 wezen PvdA en CDA een
kabinetsvoorstel (van D66'er Kohnstamm) tot invoering
van een afgezwakte vorm van het Duitse kiesstelsel nog
af.
De stemming
Na het einde van de stemming tellen de leden van het
stembureau (door burgemeester en wethouders benoemd)
de in het stemlokaal uitgebrachte stemmen. Deze telling
vind in het openbaar plaats. De kiezers hebben het recht
om tijdens de zitting van het stembureau mondeling bezwaren
te maken als het kiezen niet volgens de wet geschiedt.
Het stembureau neemt de bezwaren op in een proces-verbaal.
Poststemmen worden alleen meegeteld als ze op de dag
van de verkiezingen voor 15:00 uur zijn binnengekomen,
in de juiste retourenveloppe, voldoende gefrankeerd
en persoonlijk ondertekend. Op de avond van de stemming
berekent het Algemeen Nederlands Persbureau (ANP) de
niet-officiële uitslag op grond van de gegevens
die het rechtstreeks van alle gemeenten ontvangt. Het
centraal stembureau (de kiesraad) stelt uiteindelijk
de uitslag van de landelijke verkiezingen vast. Bij
Provinciale Statenverkiezingen en gemeenteraadsverkiezingen
stelt het centrale stembureau in de provinciehoofdstad
of gemeente de verkiezingsuitslag vast.
Bij
de berekening van de uitslag verdeelt het centraal stembureau
de zetels over de lijsten. Daartoe wordt de kiesdeler
berekend. Dat is het totaal aantal geldig uitgebrachte
stemmen gedeeld door het aantal te verdelen zetels.
Het aantal zetels dat direct aan de lijsten kan worden
toegewezen is gelijk aan het aantal keren dat de kiesdeler
in het stemmentotaal van de lijst past. Bij voorbeeld:
Als er bijvoorbeeld 5000 stemmen zijn uitgebracht voor
een gemeenteraad met 10 zetels, dan is de kiesdeler:
5000/10 = 500 stemmen. Je krijgt dus voor elke 500 stemmen
een zetel. Partijen die de kiesdeler niet halen, krijgen
geen zetel. De stemmen op zo'n partij worden via de
restzetels verdeeld over de andere partijen. Enigszins
gelijkgestemde partijen kunnen een lijstverbinding aangaan.
Daardoor worden de reststemmen bij elkaar opgeteld en
komen partijen eerder in aanmerking voor een restzetel.
Een lijstverbinding is er alleen om te voorkomen dat
politieke tegenstanders van de reststemmen zullen profiteren.
Het zegt niets over eventuele samenwerking tussen de
partijen als ze eenmaal in de Tweede Kamer zitten. Vooral
de kleinere partijen maken nogal eens van de mogelijkheid
tot lijstverbinding gebruik.
De zetels
De toekenning van de zogenoemde restzetels geschiedt
bij de Tweede Kamer, Provinciale Staten en gemeenteraden
met negentien of meer leden volgens het systeem van
de grootste gemiddelden. Hiervoor wordt berekend hoeveel
stemmen per zetel op een bepaalde partij zijn uitgebracht,
als aan die partij één zetel extra zou
zijn toegewezen. De eerste restzetel wordt toegewezen
aan de partij met het grootste aantal stemmen per zetel.
Deze berekening wordt herhaald voor elke restzetel.
Nadat de zetels zijn verdeeld over de lijsten wordt
vastgesteld welke kandidaten zijn verkozen. Kandidaten
op wie een aantal stemmen is uitgebracht dat tenminste
25 procent van de kiesdeler (de voorkeursdrempel) bedraagt,
komen het eerst in aanmerking voor een zetel. Deze stemmen
die op een kandidaat zijn uitgebracht worden voorkeurstemmen
genoemd. Daarna volgt toekenning van de resterende zetels
aan de kandidaten naar de volgorde van de lijst. In
gemeenten waar de gemeenteraad minder dan negentien
leden telt en bij de verkiezingen van de Eerste Kamer,
heeft een kandidaat overigens een aantal stemmen gelijk
aan 5 procent van de kiesdeler nodig om bij voorkeur
te worden gekozen. Bij de verkiezingen voor het Europees
Parlement bedraagt dit aantal 10 procent van de kiesdeler.
De kabinetsformatie
Na
elke Tweede-Kamerverkiezingen of na de val van een kabinet,
begint het ingewikkelde en spannende proces van de formatie
van een nieuw kabinet. De Koningin krijgt eerst advies
van de vice-voorzitter van de Raad van State en van
de voorzitters van Eerste en Tweede Kamer. Zij vertellen
welke combinatie van partijen een kabinet zouden kunnen
vormen. De fractievoorzitters uit de Tweede Kamer geven
haar ook hun mening over dit onderwerp.
Als een bepaalde coalitie (samenwerking) van partijen
niet zo voor de hand ligt, wijst de Koningin een informateur
aan. Die onderzoekt welke partijen in een coalitie zouden
kunnen samenwerken.
Hij brengt over zijn werkzaamheden verslag uit aan de
Koningin en zij benoemt vervolgens een formateur, vaak
de toekomstige minister-president. De formateur krijgt
de opdracht om het kabinet te vormen. Hij stelt samen
met de toekomstige coalitiepartners het regeerakkoord
op. Daarin spreken ze af welk beleid het nieuwe kabinet
in de komende vier jaar gaat voeren.
|